Hoewel er alles aan gedaan werd om het de bewoners van het Ambonezenwoonoord in Mill zo gerieflijk mogelijk te maken, was hun situatie erg onzeker. De meesten hadden heimwee en de vraag of ze ooit terug zouden keren, speelde bij iedereen door het hoofd. De regering van de nieuwe Indische Republiek had de Molukse eilanden bezet en de Nederlandse overheid wist niet wat ze met die duizenden soldaten en hun gezinnen aan moesten. Ze waren trouw geweest aan de Nederlandse vlag, vaak generaties lang en ze hadden dienst gedaan in het KNIL, dus de situatie in hun thuisland was onveilig voor hen. En zo kwamen er schepen vol aan met ontheemde mensen, die huis en haard achter zich moesten laten en de onzekerheid tegemoet gingen. Ze werden ondergebracht in woonoorden op het platteland, ver van Den Haag, uit het oog van de overheidsbekleders.
Woonoord Vilheide was begin jaren 50 één van deze 90 verblijfplaatsen, waar 3 barakken voor gezinnen stonden, een keukenbarak, een bad- en toiletgebouw en een aparte ruimte voor vrijgezellen. Ze ontvingen drie gulden per volwassene en anderhalve gulden per kind. Tot hun grote verbazing werden ze ontslagen uit de militaire dienst en uitzicht op ander werk was er niet. De verveling sloeg toe met alle gevolgen van dien en contacten met de omgeving werden zoveel mogelijk door de Nederlandse overheid tegengewerkt. Het uitgangspunt was dan ook om de Molukkers en Ambonezen zo snel mogelijk weer naar huis te sturen. In alle woonoorden werd een kampleider aangesteld, zodat de overheid toch nog invloed kon uitoefenen op de gang van zaken.
Aangezien Molukkers en Ambonezen, ieder met hun eigen taal en achtergrond, samen verbleven in de woonoorden, liep de spanning nogal eens hoog op. Op zondag 19 augustus 1951 laaide er in woonoord Vught tussen beide bevolkingsgroepen een hooglopende ruzie op, waarbij een 4-jarig jongetje overleed. De overheid nam het besluit om de groepen te gaan splitsen en zodoende moesten er vanuit Mill 100 Ambonezen naar Geleen. Op 29 oktober 1952 weigerden drie families uit woonoord Vilheide in de bus te stappen, die hen naar Geleen zou vervoeren. Pas toen een overvalwagen van de politie het terrein op kwam rijden, stapten zij met tegenzin alsnog in de bus. Mill haalde het landelijk nieuws met als aankondiging “Onrust op Woonoord Vilheide”.
Rond 1959 woonden er al 8 jaar Molukkers in woonoord Vilheide, die in de volksmond nog steeds Ambonezen werden genoemd, omdat beide namen door elkaar gebruikt werden. Er werd Sinterklaas en Kerstmis gevierd en de jongeren voetbalden samen met de Millse jeugd.
Het aantal woonoorden in Nederland was gegroeid van 90 naar 100 en de gemeenschap was van 12.500 toegenomen naar 18.700. De overheid zag in, dat terugkeer naar Indonesië er niet meer van zou komen en dat er langzaamaan aan een bepaalde vorm van integratie gewerkt moest gaan worden. Inmiddels hadden veel van hen een baan en de Nederlandse regering besloot speciale wijken voor hen te bouwen, zodat de dan nog 76 bewoners van de Vilheide in 1961 verhuisden naar Cuijk. Dertien grote gezinnen en twee ongehuwde mannen kwamen te wonen in de wijk De Valuwe in Cuijk. Iets wat de Molukkers zelf ook wilden, maar hoe zou hun leven eruit gaan zien tussen al die Nederlanders? Wat zou er overblijven van hun taal, cultuur en tradities?
In 2011 vierde de Molukse gemeenschap in Cuijk haar 50-jarig jubileum, waarbij hun sterke onderlinge verbondenheid centraal stond. Regelmatig organiseren zij een Pasar Maluku met traditionele muziek, dans en eten en herdenken zij hun geschiedenis, die ooit eens begon op woonoord Vilheide in Mill.
Geschreven door Marja Verheijen.
Bron: “Sprekend Verleden” van Geurt Franzen, diverse krantenartikelen, waarvan de krant niet bekend is, Wikipedia, Historiek en BHIC (Brabants Historisch Informatie Centrum).
Heeft u verhalen of foto’s van het Ambonezenkamp in Mill, dan horen wij dat graag via een mail aan
Kijk voor meer foto’s op www.myllesheem.nl onder zoekterm “Woonoord Ambonezen”.
