Myllesheem vertelt: Het Ambonezenwoonoord in Mill - vervolg 3

Max, Fred en Nella hadden als bewoners van het Ambonezenwoonoord goede contacten met de Millse jeugd. Ze gingen samen naar school, voetbalden samen en zongen in het kerkkoor. En dat laatste was niet altijd even leuk, want er moest tot in perfectie gerepeteerd worden. Het werd alsmaar later en later en Fred kon niet wachten tot de repetitie op zondag afgelopen was, want hij wou ook nog naar de film bij De Keizer. De Millse kermis was een feest, net als met de foekepot voor snoep langs de deur gaan. Ze herinneren zich nog de kinderen van de families Strik van later de motorcrosser George Strik en de kinderen van Van Strijp.

De jongens mochten meer contact hebben met leeftijdgenoten dan de meisjes. Zij werden nogal beschermd opgevoed. De sociale controle was groot, want de onderlinge verbondenheid was sterk. Iedereen werd oom of tante genoemd, zodat Millse kinderen zich wel eens afvroegen hoeveel ooms en tantes ze eigenlijk wel niet hadden. Max, Fred en Nella praten steeds over “ons moeder” en ook de namen van andere familieleden worden met “ons” als voorvoegsel vernoemd. De woorden van Fred zijn: ”Wij zijn bruine Brabanders!”.

Hoewel Max, Fred en Nella hele goede herinneringen aan hun tijd in Mill hebben, was het zeker geen gemakkelijk leven. Weggerukt uit hun vaderland, de onzekerheid tegemoet, niet wetende wat de toekomst nog ging brengen.

De meeste opvangcentra waren niet goed onderhouden en soms leefde men onder erbarmelijke omstandigheden. Ook de barakken in Mill waren maar in zekere mate bewoonbaar. In de zomer was het er snikheet en in de winter stervenskoud. Ze herinneren zich nog, dat ze hartje winter op de fiets een zak kolen gingen halen bij Van Rossum in de korte broek. Hoezo in de korte broek? Gewoon omdat ze niets anders hadden, want ze hadden geen cent te makken. Hun ouders kregen van de overheid een kleine bijdrage en dat was beslist geen vetpot. Van de beheerder kregen ze een munt voor het gebruik van stroom.

Corrie, het zusje van Nella had altijd last van bronchitis door de vochtige barakken en heeft er COPD aan overgehouden.

Het toilet bestond uit een gat in de grond met twee bakstenen ernaast. Nella ging een keer spelen bij een klasgenootje van de familie van Hout. Ze keek haar ogen uit, want het toilet was prachtig betegeld en de hal had een trap. Haar vriendinnetje had een eigen kamer, iets wat zij niet kende. Nella genoot van een bezoek aan het toilet.

Als er na de zomervakantie op school gevraagd werd, waar iedereen op vakantie was geweest, dan bestond die vakantie voor hen uit logeren gaan in een andere barak of een dagje naar de familie in een ander woonoord.

Ze vierden Sinterklaas en Kerstmis en ze genoten van de feestelijke huwelijken, de Eerste Communie en het Heilig Vormsel. Eenmaal hebben ze in het woonoord een begrafenis bijgewoond van een oom, die met de bromfiets verongelukte van Groesbeek naar Mill. 

Mijnheer Derks was de opzichter en ze herinneren hem als een aardige man, die altijd klaar stond voor hen. Ze hadden ook een fijn contact met zijn gezin, weet Nella nog heel goed.

Pas na enkele jaren mochten de volwassenen gaan werken en de meesten vonden een baan bij de Friki in Boxmeer, Zwanenberg in Oss of bij Royal McBee, de typemachinefabriek in Cuijk (later Adler). De werknemers werden met de bus vervoerd.

Het contact met de familie in Indonesië was minimaal, want doorgaans deed een brief er maanden over. Het overlijden van hun grootouders vernamen ze pas na lange tijd. Alle drie zijn ze meerdere malen terug geweest voor familiebezoek. Nella het vaakst, maar liefst 9 keer. Op haar vingers telt ze enthousiast het aantal keren en noemt daarbij het jaartal. Volgens de goedlachse Fred heeft ze een OV-kaart. 

Op de foto ziet u Max en Fred, hun ouders, zus Rika en broertje Johnny.

Volgende week leest u in het laatste deel over de verhuizing naar Cuijk.

Geschreven door Marja Verheijen.