In 1961 werd het woonoord in Mill opgeheven en moesten Max, Fred en Nella, hun families en vele andere gezinnen verhuizen naar speciaal voor hen ingerichte huizen in de wijk De Valuwe in Cuijk. In totaal verlieten 76 personen het woonoord in Mill, 13 grote gezinnen en 2 ongehuwde mannen.
Bij woninginrichting van Lieshout in Mill mochten ze wat standaard meubels uitkiezen om het een beetje tot hun eigen plekje te maken. De keuze was niet groot, maar de kleur mochten ze zelf bepalen. Met veewagens vond de verhuizing plaats, hetgeen ze nu nog steeds als een pijnlijke ervaring zien. Eigenlijk wilden ze helemaal niet weg uit Mill, maar de barakken waren niet meer bewoonbaar. Later bleek, dat Mill ten opzichte van Cuijk als een warm bad voelde. Ze herinneren zich nog, dat ze afscheid namen van de leerkrachten op de school in Mill.
Ze konden hun geluk niet op in de echte huizen in Cuijk met een eigen badkamer, keuken en een trap. Trappen hadden ze nog nooit gehad, dus ze renden van plezier de treden op en af. Nella ging een half uur op de WC zitten en genoot van een leesboek.
In Cuijk voelden ze zich echter niet gewenst en als ze, zoals ze dat in Mill deden met de hele groep naar school liepen, stonden de bewoners op de stoep om hun tuin tegen baldadigheid te beschermen, hetgeen soms juist averechts werkte. Als reactie op de wantrouwende houding van de Cuijkenaren wilde wel eens een struikje of plantje sneuvelen.
“We voelden ons een bezienswaardigheid en werden “Pindachinezen” genoemd.” Ze kregen te maken met uitsluiting en discriminatie. Over een gepaste studie werd niet nagedacht; meisjes gingen vanzelfsprekend naar de huishoudschool en de jongens naar de ambachtsschool ongeacht hun capaciteiten. Fred werd geschoold tot timmerman, maar heeft naar eigen zeggen twee linker handen.
Toen ze opgroeiden, waren de getinte jonge mannen best wel in trek bij de Nederlandse jonge dames, hetgeen met afgunst gade geslagen werd door de Hollandse jongens. Nella geeft nog duidelijk aan, dat dit voor de meisjes niet weggelegd was, want zij waren verondersteld te trouwen met iemand van hun eigen cultuur. Fred is met een Nederlandse vrouw gehuwd, Nella is getrouwd met een man van Molukse afkomst geboren op het eiland Babar en de vrouw van Max komt van het eiland Tanimbar.
Het gebrek aan respect en waardering door de plaatselijke bevolking in Cuijk gaf hen extra kracht en maakte hen strijdbaar. Nog steeds bewaren en bewaken ze zoveel mogelijk hun eigen cultuur en tradities.
Ze voelden pas later het verdriet van hun ouders, al spraken zij daar nooit openlijk over en vooral met kerstmis kwam het gevoel van heimwee naar boven. Ook nu nog worden vooral rondom Bevrijdingsdag de verhalen van toen verteld.
De Nederlandse regering verdient geen schoonheidsprijs ten aanzien van hoe zij de militairen, die de Nederlandse vlag trouw gediend hadden, destijds hebben behandeld. Landelijke erkenning liet nog steeds op zich wachten, maar gelukkig zijn er wel lokale initiatieven om dit stuk vaderlandse geschiedenis als blijk van waardering te herdenken.
Onlangs heeft echter premier Rob Jetten namens de regering excuses aangeboden voorafgaand aan de onthulling van het nationale monument op de Lloydkade in Rotterdam, waar in 1951 het eerste schip aanmeerde. Excuses voor het harteloze ontslag, de valse beloftes, de gebrekkige huisvesting en het onvervulde verlangen naar huis.
Max, Fred en Nella hebben een mooi leven opgebouwd en zijn trots op hun gezin. Door verdere studie hadden ze respectievelijk een carrière in het basisonderwijs, in de gezondheidszorg (Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs) en in de maatschappelijke zorg.
Hun verbondenheid is groot, hun herinneringen zijn hetzelfde. Die voeren hen terug naar dat ene plekje op De Vilheide in Mill, waar helaas niets het Ambonezenwoonoord aldaar gedenkt.
Op de foto ziet u het bronzen beeld van de kunstenaar Sias Fanoembi (1949-2013) in de beeldentuin in Cuijk met als titel Jankar – Tsalin, hetgeen in de taal van Tanimbar “Ankeren – Kijken” betekent, “De kijk op alles wat zal komen en je hier ankeren en eigen maken.”
Geschreven door Marja Verheijen.
