Hoewel Max, Fred en Nella een zorgeloze jeugd hebben gehad in het Ambonezenwoonoord op de Vilheide, moet het voor hun jonge ouders een moeilijke tijd geweest zijn. Zij hadden tenslotte alles achter gelaten en moesten een nieuw bestaan opbouwen in een vreemd land, waarvan de regering ook niet precies wist wat met hen te beginnen.
Nooit werd daarover gesproken en men droeg het lot, zoals het kwam.
De eerste 8 jaar mochten ze niet werken en was het moeilijk een sociaal leven op te bouwen. Gelukkig kregen Fred, Max en Nella en al die andere kinderen daar weinig van mee en genoten zij van het leven in Mill.
Het opvangcentrum bestond uit een aantal barakken voor families en vrijgezelle mannen. Er was ook een badruimte en een keukenbarak, waar de eerste jaren voor hen gekookt werd. “De gaarkeuken” noemen Max, Fred en Nella het en het was natuurlijk heel erg wennen, die Hollandse kost. Pas jaren later was het toegestaan om zelf te koken op een met steenkool gestookt kacheltje in de speciaal aangebouwde zeer kleine keukentjes. Zie de gearceerde ruimtes op de foto. Dichtbij het woonoord woonden in de Leeuwerikstraat de families Kremers en van Loosbroek, waarmee ze een goed contact hadden. De moeder van Nella had van mevrouw van Loosbroek geleerd hoe een Nederlands menu samen gesteld was, namelijk soep vooraf, dan aardappelen met groenten en vlees en daarna nog een dessert. En hoe je heerlijke jus maakt. Maar natuurlijk werd er ook Indisch gekookt en de Aziatische producten werden gekocht bij de zogenaamde Auto Boemboe, die als een rijdende toko diverse woonoorden bezocht. Boemboe is een kruidenmengsel voor in de Indische keuken.
Ook gingen ze bij van Loosbroek en Kremers in de tuin bessen plukken, koe…eh kroe….nee, knoersels! (kruisbessen). En appels jatten in het bos, niet echt jatten, want de appelbomen stonden gewoon in een openbaar bos, maar dat maakte het veel spannender natuurlijk.
Op het terrein stond een voormalige zandbak, waarvan ze een soort zwembad hadden gemaakt, waar met veel plezier gespeeld werd. Ook gingen ze regelmatig zwemmen in de beek achter de vuilnisbelt, het Defensiekanaal (nu Peelkanaal). “Gewoon in de blote kont”, lacht Fred. Ook de crossbaan verder de bossen in, richting de Kampweg, was een favoriete speelplek. Regelmatig zagen ze ook soldaten, die ter bewaking van het militaire kamp, langs het hoge zwarte hekwerk liepen.
De jongens haalden nogal eens kattenkwaad uit. Gezamenlijk liep de hele groep meisjes en jongens van de Vilheide naar de school in Mill, de jongens naar de Heilig Hartschool en de meisjes naar de St. Josephschool. Max heeft ook nog op de school gezeten aan de Hoogstraat in Mill. Bij de Schettering was het toch voor sommige jongens moeilijk om zich gehoorzaam aan de regels te houden. Zij liepen over de smalle balk van de houten brug en deden telkens alsof ze in het Defensiekanaal vielen om vooral de meisjes angst aan te jagen. Ze herinneren zich nog het snoepwinkeltje van Grad Petjes in de Bernhardstraat (later Catootje). Nella stond zich te vergapen bij de etalage van de fietsenhandel van Vic Goossens, want daar stonden hele mooie rolschaatsen in, die ze later van haar peetoom kreeg, die geen kinderen had. Ook het bakkerijtje annex postkantoor van Drieka en Kobus Jans in de buurt van de NRF werd regelmatig bezocht.
Voordat school begon, moesten ze eerst altijd naar de kerk, waar ze veel zondes opgebiecht hebben, zeggen ze met een glimlach. Max en Fred herinneren zich meister de Jong nog goed en ook meister van Kuppevelt; Nella noemt juffrouw van Schipstal. Natuurlijk was er geen extra hulp voor hen in de klas net als nu en zij hebben zichzelf de Nederlandse taal aangeleerd. Ze herinneren zich nog, dat Minister van Staat Marga Klompé in 1956, Mariënweerd en de bibliotheek kwam openen, waar zij als schoolgaande jeugd bij mochten zijn. Gelukkig werden zij goed opgenomen in de Millse samenleving.
Lees volgende week in het derde deel hoe het de families in het woonoord verder verging.
Geschreven door Marja Verheijen.
