Hof Den Bosch beslist in de volgende zaak dat de belastingplichtige geen beroep kan doen op het kennisgroepstandpunt over het herleven van de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling.
Een vrouw ontving in 2008 van haar ouders een schenking onder schuldigerkenning van € 22.379 waarbij de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling werd toegepast. In de notariële akte stond dat de ouders 6% rente per jaar verschuldigd waren en het kapitaal pas opeisbaar was bij overlijden van de langstlevende ouder. In de praktijk betaalden de ouders echter nooit rente. In 2010 sloten de vrouw en haar echtgenoot een geldleningsovereenkomst met de ouders van de echtgenoot voor € 140.000 voor de start van zijn onderneming, die in 2012 werd gestaakt. Vanwege slechte financiële omstandigheden vreesde de vrouw dat schuldeisers het geldbedrag dat zij van haar ouders te vorderen had bij haar ouders zouden opeisen. Op 1 juni 2017 verklaarden de vrouw en haar ouders dat de schenking uit 2008 met wederzijdse toestemming was komen te vervallen. In 2018 en 2019 ontving de vrouw opnieuw geldbedragen van haar ouders, in totaal € 100.800. Zij deed aangifte schenkbelasting en deed een beroep op de eigenwoningvrijstelling. De inspecteur legde aanslagen op waarbij hij rekening hield met de eenmalig verhoogde vrijstelling die de vrouw in 2008 had toegepast, waardoor de eigenwoningvrijstelling voor 2018 werd verlaagd tot € 27.871 en voor 2019 niet meer van toepassing was. De vrouw stelde dat de schenking uit 2008 was ontbonden, herroepen of vervallen verklaard, zodat zij geen gebruik had gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling.
Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:2709) verwierp de stelling van de vrouw dat de schenking van rechtswege was ontbonden door het niet betalen van rente. Ook herroeping was niet mogelijk omdat in de notariële akte geen bevoegdheid tot herroeping was bedongen. Een beroep op dwaling faalde omdat de omstandigheden die tot de financiële problemen leidden zich pas na de schenking voordeden. Er was geen sprake van een overeenkomst die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Gelet hierop had zich geen van de in artikel 53 lid 1 SW genoemde gevallen voorgedaan die tot een ongedaanmakingsverplichting leiden. Het belastbare feit was in stand gebleven. De vrouw had in 2008 de eenmalig verhoogde vrijstelling toegepast, waardoor de eigenwoningvrijstelling voor 2018 werd verlaagd tot € 27.871 en voor 2019 niet bestond. Het kennisgroepstandpunt van 30 mei 2023 moest zo veel mogelijk in overeenstemming met de wet worden uitgelegd en de toepassing moest beperkt blijven tot de bijzondere situatie die daarin was beschreven. De situatie van de vrouw viel daar niet onder omdat de schenking uit 2008 niet was aangegaan met de mogelijkheid van herroeping en ook niet onder een ontbindende voorwaarde.
Peter Meulepas, administratie- en belastingconsulent te Mill.
